2/ ... daarvan meedoen de verandering in de ij.
In o.a. het Oost-Vlaams en Brabants ontstond geen 'bië' en zo kon er geen ij ontstaan.
Met het woord 'dij' is hetzelfde gebeurd: 'thio' > 'die' > 'dië' > 'dij'. Is dat in het Oost-Vlaams ook 'die'? In Noord-Brabant wordt het simpelweg niet gebruikt.
Posts by Brabanders en hun taal
In Noord-Brabant ook!
'Bie' is wel een speciaal geval: dat komt van het Middelnederlandse 'bie' (van het Germaanse *biu). In het Hollands veranderde 'bie' met zijn tweeklank in een tweelettergrepig 'bië' (ook wel opgeschreven als 'bihe'). De i-klank die daarin ontstond, kon als gevolg ... 1/
Èù is maar één van de vele spellingen voor wat in fonetisch schrift [œː] is. Andere veelgebruikte spellingen zijn ùi, ûi, úí, öö – en gewoon ui. Er is immers geen officiële spelling voor de Brabantse dialecten.
Dan hebben we nog ‘rèùke’. De èù klinkt als het eerste deel van ui, maar dan langgerekt. Deze lange klinker ontstond uit de ui, net zoals de ij in veel regio’s de lange klinker èè werd: ‘rijp’ veranderde daar in ‘rèèp’.
In de middeleeuwen kwam ‘ruken’ vooral voor in het centrum en oosten van ons taalgebied, en ‘rieken’ in het zuiden en westen. In de streektalen is die verdeling bewaard gebleven. ‘Rieke(n)’ in de betekenis “ruiken” hoor je tot in Brussel en tot aan de West-Vlaamse kust.
Door naar ‘rieke’. Dat vind je in het uiterste zuiden van West-Brabant, net als in Vlaanderen. In het huidige Standaard-nederlands is ‘rieken’ iets anders dan ‘ruiken’, maar vroeger betekenden ze precies hetzelfde.
‘Ruke’ zit met zijn u nog dicht bij het middeleeuwse ‘ruken’. In West- en Midden-Brabant begonnen zulke u’s in de 15e eeuw in een ui te veranderen. Dat gebeurde in alle woorden – behalve dus in ‘ruken’. Daar is geen verklaring voor.
In West-Brabant is het ‘buige’ en rondom Tilburg ‘bèùge’ – en dus niet ‘buge’. Daarom is het vreemd dat ze daar wel ‘ruke’ zeggen, en niet ‘ruike’ en ‘rèùke’.
In de dialecten rond Cuijk en Budel zeggen mensen ‘ruke’. Een u in plaats van een ui is typisch voor die dialecten. ‘Buigen’ is bijvoorbeeld ‘buge’, en Cuijk heet in het dialect Cuuk.
In West-Brabant zeggen ze ‘ruke’, terwijl je ‘ruike’ zou verwachten. En ‘rieke’ betekent iets anders dan in het Nederlands. Hoe zit dat precies? Je leest het in dit draadje.
Kende gullie al literatuurhistoricus Bas Jongenelen? Bas: "Het Brabants uit de 16e eeuw vind ik erg interessant, vooral rijmende rederijkersteksten waarin veel Franse en Latijnse woorden voorkomen. Nog steeds kent het Brabants Franse invloeden. Zo is meepesaant een Frans-Tilburgs woord." ap.lc/cqMmw
8/
Het Oost-Brabantse ‘durske’ (“meisje”) komt bijvoorbeeld van ‘deernke’. De plaats Deurne heet in het plaatselijke dialect ‘Deurze’. En ‘karnen’ vind je in Oost-Brabant terug als ‘kaorze’.
7/
Op den duur ontstond er na die suizende r zelfs een ‘echte’ s of z; de n sneuvelde. Zo veranderde ‘gheern’ in ‘gèèrs’. Zoiets is ook gebeurd met sommige andere woorden.
6/
‘Gèèrs’ komt ook van ‘gheern’. Maar waarom heeft ‘gèèrs’ dan een s? Dat komt door de r: die had in Oost-Brabant wat weg van een sisklank als er een n op volgde. Zo’n r heet de suizende r.
5/
Dat woord was ‘gherne’, met varianten als ‘gheern’ en ‘gheren’. Het stamde af van het Germaanse *gernō (“op begerige wijze”). *Gernō is ook de voorouder van het Duitse ‘gern(e)’, het Friese ‘jerne’ en het Nedersaksische ‘geerne’.
4/
Woorden als ‘gère’, ‘gèèrs’ en ‘ger’ hebben een heel andere herkomst dan ‘graag’. Ze komen namelijk van hetzelfde middeleeuwse woord als het Nederlandse ‘gaarne’.
3/
In het Brabants vind je die typisch Hollandse woorden vooral in oude vestingsteden, zoals Grave, Geertruidenberg, Woudrichem, Heusden en Bergen op Zoom. Dat komt doordat die steden vroeger veel contact hadden met Holland.
2/
We beginnen met ‘graag’, ‘graog’ en ‘grèèg’. Die stammen af van het Germaanse *grādag, dat “gulzig” betekende. Het Engelse ‘greedy’ (“hebzuchtig”) komt daar ook vandaan.
In de dialecten van Noord-Brabant zijn er wel tien verschillende woorden voor “graag”.
In dit draadje kom je daar alles over te weten:
Bijzondere meervoudsvormen als ‘èèër’ en ‘aar’ worden steeds zeldzamer. Maar vormen als ‘aaier’ en ‘eiers’ houden het stukken beter uit. Dat komt doordat ze in grotere gebieden voorkomen.
De uitspraak veranderde in Midden- en Oost-Brabant wel: ‘Eier’ werd ‘èèjer’ en ‘aaier’. Rondom Helmond viel de j-klank weg: in 1966 vond je daar nog ‘èèër’ en ‘aaër’. Er waren zelfs plaatsen waar de e was weggevallen: ‘aar’.
In Midden- en Oost-Brabant bleef het oude meervoud: ‘kijnder’, ‘aaier’ en ‘blaoier’. In het Duits is er ook geen uitgang bij gekomen: ‘Kinder’, ‘Eier’ en ‘Blätter’. En dat geldt ook voor het Nedersaksisch en het Limburgs.
In grote delen van West-Brabant gingen mensen er juist een -s achter zetten. Zo kreeg je daar ‘kienders’, ‘eiers’ en ‘blaoiers’.
En uit dat Hollands ontstond het Standaardnederlands. Daardoor zeggen we nu ‘kinderen’, ‘eieren’ en ‘bladeren’. Maar in het Brabants ging het anders.
In de late middeleeuwen veranderde dat in het westen. Mensen gingen -(e)n zetten achter álle meervoudsvormen. ‘Honde’ werd ‘honden’, ‘stoele’ werd ‘stoelen’, en ‘kindre’ en ‘eier’ werden ‘kind(e)ren’ en ‘eieren’.
Alle woorden die nu in het Nederlands -eren krijgen, hadden toen nog -er: ‘kint ~ kinder’, ‘blat ~ blader’, ‘runt ~ runder’, ‘calf ~ calver’ enz. Daarnaast had je de variant -re, zoals in ‘beenre’ (beenderen), ‘hoenre’ (hoenderen) en ‘kindre’.
Er zijn wel tien varianten van het woord voor eieren in Noord-Brabant. Die komen allemaal van één middeleeuwse vorm: ‘eier’. Dat was het meervoud van ‘ei’ in de twaalfde eeuw.
Hedde gullie ok aaier gezocht? Of waren ’t eiers, èèër of aar?
‘Ei’ wordt in het Nederlands ‘eieren’ in het meervoud. In de dialecten van Noord-Brabant gaat dat anders.
In dit draadje lees je daar alles over:
Historisch gezien is er inderdaad niks fouts aan. In het Middelnederlands was het nog 'handvat ~ handvaeten', maar dat betekende "vaatwerk met een handvat".
"Hantvaeten met yseren hengen"
In sommige regio’s is ‘vatte’ zelfs een half-sterk werkwoord geworden. Daar is de verleden tijd namelijk niet ‘vatte’, maar ‘viet’: ‘Ze viet nòr m’nen èèrm, mer ze viet ’r neffe.’